Clopidogrel: genotypering nodig?
Clopidogrel is een prodrug dat onder meer door CYP2C19 wordt omgezet in de actieve metaboliet. Dit enzym is minder actief bij ‘intermediate metabolizers’ en ‘poor metabolizers’ van CYP2C19. Het beleid is momenteel om niet standaard een genotypering uit te voeren, vanwege ontbreken van bewijs van de meerwaarde ervan. Als er wel een genotypering wordt uitgevoerd, heeft het in theorie zin om te kiezen voor prasugrel of ticagrelor bij ‘intermediate’ en ‘poor metabolizers’. Dit aangezien deze middelen voor hun werking niet afhankelijk zijn van CYP2C19. In TAILOR-PCI-onderzoek (Tailored Antiplatelet Initiation to Lesson Outcomes Due to Decreased Clopidogrel Response After Percutaneous Coronary Intervention’) is onderzocht of deze benadering zinvol is.
Bij patiënten die percutane coronaire interventie (PCI) hebben ondergaan is genotypering uitgevoerd. Bij de ‘intermediate metabolizers’ en ‘poor metabolizers’ is vervolgens een behandeling met prasugrel of ticagrelor in combinatie met acetylsalicylzuur ingezet. De controlegroep ontving clopidogrel met acetylsalicylzuur ongeacht de uitslag van het genotyperingsonderzoek. Van de groep die na genotypering prasugrel of ticagrelor ontving nam het absolute risico op het primaire eindpunt met 1,9% af. Het primaire eindpunt was een samengesteld eindpunt van cardiovasculaire sterfte, myocardinfarct, beroerte, stenttrombose en ernstig recidief van ischemie na 12 maanden. Het relatieve risico was 0,67 (95%-betrouwbaarheidsinterval 0,45 tot 1,03). Hieruit concludeert S. van den Bogert in het GeneesmiddelenBulletin dat het onzeker is dat een genotyperinggebaseerde behandeling een afname van het risico oplevert.

